
10 tips om risico’s te communiceren
Wees exact:
Kwantificeer de risico’s zoveel mogelijk. Geef getallen in plaats van verbale beschrijvingen (zoals ‘zeer hoog‘ ‘licht verhoogd‘) of kleuren (zoals rood voor de hoge risicogroep). Verbale beschrijvingen kunnen tot miscommunicatie leiden.
Als er toch verbale omschrijvingen gebruikt moeten worden, doe dit dan zo neutraal mogelijk. Wees bewust van het doel ervan, bijvoorbeeld voor geruststelling (‘het is een laag risico‘).
Maak het concreet:
Beschrijf alleen risico’s die verwijzen naar concrete mensen. Gebruik geen percentages kleiner dan 1% en geen gebroken getallen.
Gebruik frequenties. Niet: ‘Er is een risico op hart- en vaatziekten van 15%.‘ Wel: ‘Van de 100 patiënten zoals u krijgen er 15 hart- en vaatziekten binnen 10 jaar.‘
Gebruik zoveel mogelijk dezelfde referentiegroep. ‘80 van de 100 mensen worden beter, 4 van de 100 mensen krijgen bijverschijnselen.‘
Gebruik de kleinst mogelijke noemer als de risico’s worden uitgedrukt in frequenties. Niet: ‘800 van de 10.000 mensen.‘ Wel: ‘8 van de 100 mensen.‘
Gebruik altijd een tijdframe indien beschikbaar. Patiënten kunnen zich een betere voorstelling maken bij een kort tijdframe. Echter kan een langere tijdframe.
Houd het simpel:
Gebruik zoveel mogelijk hetzelfde format. Niet: ‘80 van de 100 mensen worden beter en 4% heeft bijverschijnselen.‘ Wel: ‘80 van de 100 mensen worden beter, 4 van de 100 mensen krijgen bijverschijnselen.‘
Houd de referentiegroep (noemer) gelijk als er verschillende risico’s gegeven worden. Niet: ‘1 van de 20 patiënten overlijdt en 1 van de 8 patiënten ondervindt complicaties.‘ Wel: ‘5 van de 100 patiënten overlijden en 12 van de 100 patiënten ondervinden complicaties.‘
Gebruik waar mogelijk visuele ondersteuning. Nadat het numerieke risico op een aandoening in frequenties is uitgelegd kan bijvoorbeeld een populatiediagram worden getoond. Het is belangrijk dat de visualisatie ook simpel is en een toegevoegde waarde heeft bij de uitleg.